‘History is about evidence. It is also about other things: hunches, imagination, interpretation, guesswork. First and foremost, though, comes evidence: no evidence, no history... Nobody, or hardly anyone, created evidence for the convenience of future historians. Had they done so, it would be highly suspect. What ulterior purpose led them to try to influence the future?’ (John Vincent - An Intelligent Person’s Guide to History, 1995)
De perfectionistische koningin en de populaire media (2000)
Dit artikel, verschenen onder de kop “Perfectionistische koningin heeft haar werk iets te goed gedaan”, is op 1 maart 2000 gepubliceerd op de opiniepagina van de – inmiddels ter ziele gegane – Haagsche Courant. Het artikel was, samen met andere opinieartikelen uit met – name NRC Handelsblad en de Volkskrant geplaatst op de website Hereditas Historiae. Aldaar werd het na “Zonder sterk meisje blijft de kroonprins nergens” het best bezochte artikel in deze sectie. Om deze reden is het verplaatst naar Onder historici bij het opheffen van Hereditas Historiae. Ook dit artikel heeft een nieuwe toelichting gekregen.
De concrete aanleiding voor het schrijven van dit artikel was dat in verlengde van de Emily!-pers (zie: de nieuwe toelichting bij “De kroonprins en het meisje”) een controverse rondom Máxima Zorreguieta als mogelijke huwelijkskandidate was ontstaan. De “Kwestie-Emily” had geleid tot vragen in de Tweede Kamer en het was duidelijk dat in ieder geval op het terrein van de voorlichting rond het koninklijk huis zaken anders moesten. Wim Kok, op dat moment minister-president van PvdA-huize, deed in interview met weekblad Elsevier vervolgens uitspraken over het vraagstuk of het Nederlandse koningschap zich moest moderniseren. De opinieredactie van de Haagsche Courant, een kwaliteitskrant voor de regio Den Haag, startte daarom een serie artikelen waarin diverse deskundigen zich mochten uitlaten over de vraag of modernisering van het koningschap noodzakelijk was na alle tumult rondom publiciteitsvraagstukken en publiek geuite twijfel over het functioneren van het Nederlandse koningschap. Irène Diependaal werd gevraagd door de opinieredactie op basis van haar onlangs verschenen boek Emily! De koninklijke verloving die niet doorging. Het werd het vierde artikel in een reeks.
"Perfectionistische koningin heeft haar werk iets te goed gedaan” (Haagsche Courant, 1 maart 2000)
‘Hoe kan een koningshuis dat onder vuur ligt zich moderniseren? Eén methode lijkt tegenstrijdig: terughalen wat twintig jaar geleden overboord is gegooid. Tot 1980 was het feest in de familiebladen. Nederlanders genoten massaal van mooie foto’s van het gelukkige gezinsleven van de Oranjes. De prinsessen spraken honderduit over hun kinderen. Ons taalgebruik toont de verandering sindsdien: we spreken minder over de “koninklijke familie”, maar gebruiken vaker de officiële omschrijving “koningshuis”.
Staatsrechtsgeleerde Walter Bagehot zag het al in 1867: een familie op de troon maakt het staatsbedrijf begrijpelijk en vooral herkenbaar voor mensen. In mooie plaatjes zien mensen emoties terug die zijzelf ook hebben. Iconografie heet het in een mooi woord: één foto zegt vaak meer dan duizend woorden. In een iconografisch beeld zijn universele, voor ieder herkenbare waarden als rouw en moederschap samengevat. Bagehot signaleerde de kracht van het koninklijke familieleven op een belangrijk moment. De Britse vorsten in de negentiende eeuw hadden hun politieke macht verloren en konden alleen nog politieke invloed uitoefenen. Een vorst is echter niet zomaar invloedrijk. Hij heeft gezag nodig voordat politici naar hem willen luisteren. Hij moet bovendien populair zijn bij de onderdanen. De monarchie moet “gedragen” worden.
Britse historische en sociaalpsychologische onderzoeken hebben het gelijk van Bagehot aangetoond. “The Royals” waren populair ondanks hun eigenzinnigheid en soms openlijke misstappen. De populariteit was het gevolg van een massaal meeleven met het koninklijke familieleven. Huwelijken, doopplechtigheden en begrafenissen werden vanaf het einde van de negentiende eeuw massale gebeurtenissen. Televisiebeelden, onder meer van de koninklijke bruiloften en de uitvaart van prinses Diana, gingen de hele wereld over en “koninklijke familiealbums” vulden menig boekenkast.
Als gevolg van de koninklijke iconografie heeft de monarchie in de moderne tijd een sociaalpsychologische betekenis gekregen: mensen willen zich herkennen in koninklijke personen. Wij herkennen iets “gewoons” in wat eigenlijk “buitengewoon” is. Wij kunnen het aanraken, maar net niet, want er zit (soms letterlijk) glas tussen.
Het recente huwelijk van de Belgische troonopvolger toonde die magie. Ter gelegenheid van de feestelijkheden mocht óók in het koninklijk paleis gefilmd worden. Kijkers waanden zich persoonlijk in die sprookjesachtige omgeving. Alle heimelijke verlangen konden even op de koninklijke personen worden geprojecteerd. Deze projectie is gedeeltelijk een vlucht, want de koninklijke wereld die wij willen zien is een ideale wereld.
De koninklijke personen moeten het “betere ik” vertegenwoordigen. De roddelbladen laten zien wat er gebeurt als een koninklijke persoon niet het gedrag toont dat de gemiddelde onderdaan wenst van zichzelf en de medemens: de nationale wijsvinger gaat omhoog. Roddelbladen leggen hun oor te luisteren, peilen de gemiddelde moraal en schrijven artikelen waarin koninklijk gedrag veroordeeld of bejubeld wordt.
Het probleem is dat koninklijke personen geen ideale mensen zijn. Die bestaan immers niet. En de burgermansfatsoen is niet per definitie de persoonlijke moraal van de Oranjes. Heel terecht wordt daarom de privésfeer van het koningshuis afgeschermd. In een land met vijftien miljoen mensen bestaan te veel afwijkende meningen die kunnen worden uitvergroot en overgedragen aan (roddelblad)lezers.
Tegelijkertijd willen wij Nederlanders wél de illusie hebben dat de koninklijke personen mensen zijn zoals wijzelf. Die illusie hoeft niet strijdig te zijn met de werkelijkheid: de meeste emoties zijn universeel. Mooie foto’s van een gelukkig koninklijk gezinsleven geven onderdanen veel “meeleefplezier”. Als gevolg van de vertedering is er meer draagvlak voor koninklijke misstappen. Sympathieke mensen gunnen we immers eerder iets dan iemand die we toch al niet aardig vonden. De koninklijke personen krijgen voor het delen van hun emoties een vergrote populariteit terug. Want wie zegt dat koningin Beatrix zo’n koude vrouw is? Is dat de mening van de roddelbladmakers omdat zij zo weinig informatie over privézaken krijgen? Of is het beeld ontstaan omdat wij de koningin alleen maar tijdens openbare gelegenheden zien “acteren”? De perfectionistische koningin heeft haar werk iets te goed gedaan: zij toont weinig emoties en verhindert daarmee “meeleven” van haar onderdanen. Andere koninklijke personen geven evenmin veel bloot. Het resultaat is dat de betrokkenheid van de onderdanen bij de koninklijke familie nog maar klein is. De bladen puilen nu uit van andere beroemde personen.
De republikeinen sloegen toe op het moment dat vele Nederlanders het beeld hadden gekregen van Beatrix als een harde, eigenwijze en koude vrouw die zich óók nog eens bemoeit met andermans zaken. De professionele koningin paste perfect bij de zakelijke tijdgeest van de jaren tachtig. Inmiddels leven wij in een tijd waarin familiewaarden weer heilig zijn verklaard. Het imago van koningin Beatrix is nauwelijks aangepast aan de nieuwe tijd. Een paar foto’s of openhartige interviews, die een genuanceerd beeld tonen, doen waarschijnlijk wonderen voor de gehavende populariteit van de Oranjes.
Toelichting - 2026
Dit concrete artikel is geschreven op verzoek van de opinieredactie van de Haagsche Courant nadat minister-president Wim Kok een “moderniseringsdebat” aangaande de Nederlandse monarchie had uitgelokt na een uitspraak in interview met het weekblad Elsevier. In april 2000, toen de serie in de Haagsche Courant reeds liep, gooide toenmalige D66-voorman Thom de Graaf vervolgens de knuppel in het hoenderhok door voor de camera’s van RTL-nieuws te pleiten voor een modernisering van de monarchie via een grondwetsherziening: "de Koning" niet langer deel te laten uitmaken van de regering (artikel 42 Grondwet). De discussie over de modernisering van de monarchie kreeg daardoor primair een politiek karakter.
De regering reageerde vervolgens met de officiële notitie "Het koningschap" (2000). Hierin werd de staatsrechtelijke functie van het Nederlandse koningschap vergeleken met het Britse koningschap, dat bij gebrek aan een geschreven Grondwet grotendeels op gewoonterecht en conventies is geschoeid. Verder werden toezeggingen gedaan omtrent verbetering van de publiciteit rondom het koningshuis.
Op 28 april 2000 vertelde koningin Beatrix in een televisie-interview met de NOS hoe zij zelf tegen haar koningschap aan keek, over de kritiek die zij kreeg en het populariteitsvraagstuk. Voorafgaand aan haar troonsbestijging, in maart 1980, had zij in interview met Ad Langebent al aangegeven dat zij als koningin niet zou streven naar populariteit. ‘‘Weet u, ik heb een beetje een hekel aan het woord “populariteit”. Het heeft iets vluchtigs, iets oppervlakkigs ook, iets zeer tijdelijks. Ik geloof dat je in het werk waar wij voor staan die tijdelijkheid en die oppervlakkigheid juist inderdaad niet moet zoeken. Als het ons lukt om in de loop der jaren genegenheid te winnen, en vertrouwen, dan zijn dat eigenlijk de fundamenten waarop ook een monarchie rust. Misschien dan een beetje ten koste van populariteit op sommige punten.’ In april 2000 kwam interviewer Maartje van Weegen op deze uitspraak terug en vroeg de koningin of zij er nog steeds zo over dacht. ‘Ja, ik vind populariteit gevaarlijk, gevaarlijk oppervlakkig en tijdelijk.’ Maartje van Weegen vroeg of de inhoud voor ging. Koningin Beatrix: ‘Absoluut. Je lijn vasthouden, rustig doorwerken, de dingen waar je in gelooft. Ja, zo ben ik nu eenmaal.’ (Transcripties van de NOS-interviews zijn gepubliceerd in: Arendo Joustra (samenstelling), In gesprek met de Oranjes, 2018)
De meeste aandacht in het moderniseringsdebat ging uit naar de politieke invloed die koningin Beatrix zou uitoefenen op het regeringsbeleid en dat kwam tot uiting in de "Notitie Koningschap" (2000), die volgde op de maatschappelijke discussie. In deze notitie werd een deel van het Britse gewoonterecht geïnstitutionaliseerd in het Nederlandse staatsrecht. Het ging om de visie van Walter Bagehot (redacteur van het liberale tijdschrift The Economist) dat de koninklijke macht was "teruggedrongen" tot "drie rechten". Irène Diependaal heeft over de sluipgang van deze drie rechten in het Nederlandse staatsrecht, resulterend in de “Notitie Koningschap”, een wetenschappelijk artikel gepubliceerd in Jaarboek Parlementaire geschiedenis 2005. Dit artikel wordt niet opgenomen in Onder Historici omdat Irène Diependaal vervolgens veel meer onderzoek deed en zij dit artikel achterhaald acht hoewel zij haar bijgestelde onderzoeksresultaten nooit heeft uitgewerkt voor publicatie. Kort en krachtig: in Jaarboek Parlementaire geschiedenis 2005 reconstrueerde zij dat in Groot-Brittannië de rechten niet van toepassing waren op het moment dat Walter Bagehot ze in 1867 definieerden. Idem voor de opvolgers van koningin Victoria (1837-1901), maar gradueel ontstond wel een verandering. Op basis van vrijgekomen gegevens heeft hoogleraar staatsrecht Rodney Brazier geconcludeerd dat er in de hedendaagse praktijk vijf rechten zijn: om geïnformeerd te worden, geconsulteerd te worden, te adviseren, aan te moedigen en te waarschuwen. Ze werden in ieder geval door koningin Elizabeth II (1952-2022) goed gebruikt.
In Emma. Hoedster van Wilhelmina’s erfenis heeft Irène Diependaal bovendien in 2013 verwerkt hoe koningin Wilhelmina (1890-1948) werd opgeleid in het staatsrecht. Het werk van Walter Bagehot was bekend in Nederland, maar in haar onderwijs op maat ontbreekt het dictum van Walter Bagehot. Koningin Wilhelmina kreeg in de praktijk veel ruimere politieke bevoegdheden toebedeeld door haar opleider, Jan de Louter. Zij kreeg onder meer een vetorecht toebedeeld. Koningin-regentes Emma woonde alle colleges persoonlijk bij en maakte de college-aantekeningen. Deze college-aantekening werden vervolgens door een “Sur-intendante voor de opvoeding”, een opgewaarderde hofdame van koningin Emma, uitgewerkt in het net.
Irène Diependaal wist in 2000 via Eef Brouwers, op dat moment hoofddirecteur van de Rijksvoorlichtingsdienst, dat er ook niet meer zou worden beoogd dan verbetering van de publiciteit over het koninklijk huis. In de praktijk werd voor een groot deel het advies van Irène Diependaal gevolgd nadat zij twee mediahistorische onderzoeken naar de moeizame relatie tussen koningshuis en pers had gedaan. Inhoudelijk gebruikte Irène Diependaal voor dit opinieartikel in de Haagsche Courant haar onderzoeksresultaten die gedeeltelijk zijn gepubliceerd in het mediahistorische artikel "De familie op de troon" (Tijdschrift voor Mediageschiedenis 1998) en de mediahistorische studie Emily! De koninklijke verloving die niet doorging (Amsterdam 1999). De titel van het boek is een samentrekking van twee dingen: (1) het jarenlange gevleugelde motto van de Volkskrant dat ook het volgen van kroonprinselijke vriendinnen “nieuws” is en (2) de krantenkop van NRC Handelsblad bij het artikel dat “het uit is” terwijl Emily Bremers als "vriendin" jarenlang “non-nieuws” was geweest voor de krant. Samen drukken zij de essentie van het probleem uit gezien vanuit het journalistieke perspectief: anticiperend op een officiële verlovingsmededeling hadden in 1998 alle mainstream media journalistieke producties, waaronder onderzoeksjournalistiek naar de persoon van Emily Bremers en haar (controversiële) familie, klaarliggen voor publicatie. Zie verder de toelichting bij “De kroonprins en het meisje”.
Irène Diependaal rondde haar mediahistorische activiteiten af met het wetenschappelijke artikel "De koninklijke mediathon" en keerde terug naar datgene waar zij reeds voor 1998 mee bezig was (voordat zij gevraagd was om een bijdrage te leveren aan een themanummer – “De monarchie’ voor Tijdschrift voor Mediageschiedenis over de beeldvorming van de Oranje-monarchie). Alle drie de mediahistorische onderzoeken zijn verricht volledige medewerking van de Rijksvoorlichtingsdienst. De Rijksvoorlichtingsdienst heeft, op het niveau van de hoofddirecteur, in 1998 en 1999 voortijdig mediahistorische onderzoeksresultaten gekregen die ongepubliceerd zouden blijven. Het beleid van de Rijksvoorlichtingsdienst is mede gewijzigd op grond van deels ongepubliceerde onderzoeksresultaten. Veel onderzoeksresultaten zijn ook in later stadium niet gepubliceerd en evenmin ter inzage gegeven aan de Rijksvoorlichtingsdienst. Aangezien alle onderzoek zonder enige vorm van contractvorming met de Rijksvoorlichtingsdienst of het Koninklijk Huis werd verricht: er is nooit sprake geweest van het tekenen van geheimhoudingsclausules. Alle ongepubliceerde onderzoeksgegevens berusten in eigen archief en niet in die van de Rijksvoorlichtingsdienst of het Koninklijk Huis. Irène Diependaal gaf de niet te publiceren onderzoeksresultaten in mondelinge vorm als bijdrage aan het publieke belang. Deels was het ook onderdeel van afspraken zoals gemaakt met Eef Brouwers over toekomstig te verrichten onderzoek.
Het probleem was in 1998 dat er veel vragen waren toen het plotseling "uit" bleek te zijn tussen kroonprins Willem-Alexander en Emily Bremers: teveel mensen hadden iets gemist op het moment dat het gepubliceerd werd. De eerste analytische laag van het boek Emily! De koninklijke verloving die niet doorging is daarom geschraagd door het publiceren van bewijsvoering van manipulatie. Er werden op cruciale momenten foto's gepubliceerd die alleen tot stand konden zijn gekomen dankzij tips en/of actieve medewerking van betrokkenen. Zie hiervoor de toelichting op de pagina “De kroonprins en het meisje”. Het is in de toekomst aan journalisten, die zich in de periode 1995-1998 konden beroepen op hun journalistieke verschoningsrecht om hun bronnen te beschermen, nadere toelichting te geven. Dit specifieke opiniërende analyse-artikel in de Haagsche Courant: dat is geschreven op verzoek van de redactie nadat het boek Emily! De koninklijke verloving die niet doorging reeds was gepubliceerd. Ook de Haagsche Courant had moeite gehad om journalistiek de materie te volgen in de periode 1995-1998 voor een publiek dat - sterker dan het lezerspubliek van de Volkskrant en NRC Handelsblad - koningsgezind was. De redactie van de opiniepagina van de Haagsche Courant wilde daarom in 2000 graag een analyse-artikel om de koningsgezindheid van het blad te schragen tijdens een lopende discussie over de modernisering van de monarchie die rechtstreeks verbonden was met de Kwestie-Emily in de voorgaande jaren.
De opiniërende analyse-artikelen geschreven voor de Volkskrant en NRC Handelsblad in de jaren 1990: deze volgden de synthetische schrijfwijze zoals gebruikelijk is in de Amerikaanse en Britse kwaliteitsmedia. De Haagsche Courant had een ander publiek dan de Volkskrant en NRC Handelsblad. De stijl van dit specifieke opiniërend analyse-artikel is daarom anders dan de opiniërende analyse-artikelen die voor de twee landelijke kranten werd gebruikt. In Groot-Brittannië en de Verenigde Staten is deze werkwijze nog altijd gebruikelijk, de Nederlandse media zetten echter na 1995 bij herhaling koerswijzigingen in.
Het peilen van de nationale moraal en vervolgens opsteken van de nationale wijsvinger: dat is niet langer uitsluitend het domein van de roddelbladen. De sociale media, met name Twitter/X, hebben die functie grotendeels overgenomen. Maar ook de grote kranten doen daar aan mee. Zie bijvoorbeeld op deze website de pagina “De maatschappelijke antenne van de Oranjes”.
De gebruikte foto's zijn afkomstig van de website van de Rijksvoorlichtingsdienst, www.koninklijkhuis.nl (koningin Beatrix) en Rijksoverheid/Wikipedia Commons (Wim Kok). Zij zijn - blijkens schriftelijke mededeling van de Rijksvoorlichtingsdienst aan Irène Diependaal in 2013 - vrij voor verdere verspreiding op voorwaarde dat het copyright worden vermeld. Ze worden hier gebruikt om de inhoud van de in 2000 gepubliceerde tekst en het nawoord achteraf te schragen: ze vormen het belangrijkste bewijs dat het beleid werd bijgesteld. De foto van koningin Beatrix met twee kleinkinderen, Luana en Zaria, werd gemaakt in juni 2006. De foto is gemaakt door Jeroen van der Meyde en het copyright ligt bij de RVD/Fotogeniek. De afbeeldingen van Walter Bagehot en Jan de Louter zijn auteursrechtsvrij omdat de termijn verstreken is. Afbeeldingen van artikelen uit dagblad- en weekbladpers vallen, net als boekcovers, onder het citatierecht. De omslag van het boek De inhuldigingen is gebruikt omdat de foto niet langer door de Rijksvoorlichtingsdienst wordt verspreid. De foto is in 2003 door Rob Ris, Max Koot Studio. Rob Ris heeft aan Irène Diependaal medegedeeld dat hij geluk heeft gehad bij het nemen van deze foto: "zij opende zich voor mij". Op de meeste foto's zette zij haar professionele masker op. De dubbele bladzijde met foto's van kroonprins Willem-Alexander en Emily Bremers is afkomstig uit Weekend. Zie verder de pagina "De kroonprins en het meisje". Twee fotografen volgden een tip en ontmoetten elkaar bij het restaurant. Ze leenden elkaars materialen en daardoor konden Weekend en Story dezelfde foto's publiceerden, maar met verschillende namen van fotografen. Onder aan de pagina de "De kroonprins en het meisje" staan afbeeldingen van zowel Weekend als Story. Onder deze tekst volgens foto's uit een boek met foto's van hoffotograaf Max Koot. Ook de foto die de Haagsche Courant gebruikte als illustratie, in navolging van Tijdschrift voor Mediageschiedenis, is gemaakt door Max Koot en gepubliceerd in dit boek.