‘History is about evidence. It is also about other things: hunches, imagination, interpretation, guesswork. First and foremost, though, comes evidence: no evidence, no history... Nobody, or hardly anyone, created evidence for the convenience of future historians. Had they done so, it would be highly suspect. What ulterior purpose led them to try to influence the future?’ (John Vincent - An Intelligent Person’s Guide to History, 1995)
In Pursuit of truthful history stories
De kroonprins en het meisje (april 1997)
In 1997 publiceerde Irène Diependaal een opinie-artikel in NRC Handelsblad dat een geheel eigen leven ging leiden en zou leiden tot bizarre ontwikkelingen. Het was geplaatst op de - opgeheven - website Hereditas Historiae - compleet met toelichting. Het werd in twaalf jaar tijd de meest bezochte pagina. Soms met pieken dat duizenden mensen deze websitepagina op één dag bezochten. Speciaal voor Onder historici is een andere toelichting geschreven en worden meer illustraties opgenomen. Illustraties die een eigen verhaal vertellen. Eerst echter het oorspronkelijke artikel, op 27 april 1997 gepubliceerd op de opiniepagina van NRC Handelsblad onder de titel "Zonder sterk meisje blijft kroonprins nergens". Deze kop is de keuze van NRC Handelsblad geweest. Een auteur heeft daar geen invloed op, maar dekte wel de lading van het artikel. Overigens was de eerste alinea weliswaar door Irène Diependaal geschreven, maar het idee was haar ingefluisterd door Mark Kranenburg, op dat moment chef van de opinie-pagina maar in de plaats parlementair journalist in dienst van NRC Handelsblad. De opmerking sloeg zodanig aan dat Paul Witteman het onmiddellijk in vragende vorm overnam in een televisie-interview met de kroonprins zelf. De kroonprins vond de vraag, aan zijn lichaamstaal te beoordelen, niet leuk. Het antwoord op de toenmalige kroonprins was echter duidelijk. Hij ging in de jaren daarna er ook naar handelen. Een historisch geworden artikel dus. Maar ook een artikel dat vraagt om nadere uitleg.
"Zonder sterk meisje blijft kroonprins nergens" (NRC Handelsblad, 26 april 1997)
'Morgen is kroonprins Willem-Alexander jarig en prompt duikt al weken de vraag op: is het niet de hoogste tijd dat hij zich aan zijn dynastieke belangen gaat wijden? Voor de gemiddelde Nederlander is 30 jaar niet oud om te trouwen, maar wél voor een troonopvolger die zijn kinderen uit de luiers moet hebben voordat hij zijn inmiddels 59-jarige moeder opvolgt en een meer dan complete dagtaak krijgt.
Sinds de "ontdekking" van de kroonprinselijke vriendin Emily Bremers, een Nijmeegse orthodontistendochter, is de vervolgvraag al ruim twee jaar: kan een burgermeisje wel een goede koningin worden? De Nederlandse ambassadeur bij de Raad van Europa, Gualthérie van Weezel, vond het nodig om te vertellen dat "een meisje van om de hoek" niet snel op voet van gelijkheid met andere vorsten zal kunnen functioneren. Het is echter onzin om te veronderstellen dat alleen aristocratische vrouwen het goed doen: in twee Scandinavische landen zitten namelijk met succes burgermeisjes op de troon. Men kan eerder stellen dat de persoonlijkheid en het verleden van de betrokkene doorslaggevend zijn.
In 1973 was de populariteit van de Zweedse monarchie tot een dieptepunt gezakt. Na de grondwetsherziening die het koningschap zuiver ceremonieel van aard maakte, zei ministerpresident Olaf Palme:"Wij zijn slechts een pennestreek van de republiek verwijderd". Palme rekende echter buiten de Duitse Olympische hostess Silvia Sommerlath. Voor zijn huwelijk was het onduidelijk of Carl XVI Gustav het wel zou redden. Hij was een verlegen, onzekere man met grote spraakproblemen voortkomend uit woordblindheid. De fotogenieke Silvia bezorgde hem en de Zweedse monarchie wat hoognodig was: zelfverzekerdheid, intellect, veerkracht, aanpassingsvermogen, spaarzaamheid en vooral bescheidenheid. Zij maakte dat het onmogelijke bereikt werd: in een republikeins land met kritische bewoners werd de monarchie een onomstreden instituut. Nog maar 10% van de Zweden wil een republiek en Carl Gustav is, dankzij de stille kracht achter zijn troon, al jaren de populairste man van Zweden.
Noorwegen geeft het bewijs dat ook een burgermeisje uit éigen land een uitstekende koningin kan zijn. Negen jaar lang moest
Sonja Haraldsen wachten op toestemming om de toenmalige kroonprins Harald te trouwen. Wijlen koning Olav sprak uiteindelijk met leden van de regering en parlement en ontdekte dat niemand ernstige bezwaren had omdat Sonja een smetteloos verleden had. Zowel het huwelijk als Sonja's bijdrage aan de monarchie werden een grote succes hoewel er niemand was om de dochter van de Noorse mode-zakenman in te werken.
Neem dan de aristocraten! Prins Henrik van Denemarken werd ronduit bespot in zijn nieuwe vaderland. De Franse graaf is altijd een steile Franse aristocraat gebleven en dat viel verkeerd in het gemoedelijke, egalitaire Denemarken. De voormalige diplomaat voelde zich zelf jarenlang ongelukkig omdat zijn positie volledig was afgeleid van die van zijn vrouw, koningin Margarethe. Ook in België vond er in jaren zestig een clash tussen culturen plaats toen een Italiaanse, vrijgevochten, aristocrate niet kon aarden in haar "gouden kooi". Koningin Paola kwijt zich nu goed van haar taak, maar haar vroegere daden waren voer voor de roddelbladen. Dat aristocratie geen garantie voor succes is, is natuurlijk bij uitstek bewezen in Engeland. Lady Diana Spencer, dochter van een Britse graaf, was in 1981 een naïeve peuterleidster. Zonder enig schooldiploma werd zij kroonprinses van Engeland en faalde voor het oog van de wereld om haar "stand op te houden". Diana werd afgekocht nadat zij de vuile was had buitengehangen en had getracht haar echtgenoot buiten spel te zetten door de voorkeur van het publiek te winnen. Met dit gedrag bracht zij mede een discussie over de wenselijkheid van de Britse monarchie op gang.
Het Britse hof heeft één grote fout gemaakt: men liet geen psychologisch onderzoek doen. Bovendien zag zij niet in dat het vooral vrouwen zijn die de roddel- en vorstenbladen lezen en dat de vrouw daarom altijd meer aandacht van de pers krijgt dan de man: alleen sterke vrouwen met een bescheiden instelling vormen geen gevaar voor hun echtgenoot. Na het huwelijk bleek het verlegen meisje eetproblemen te hebben en te dreigen met zelfmoord.
Het Britse hof wist niet met haar noodkreten om te gaan en betaalde de hoge rekening nadat Diana in psychotherapie was gegaan. Diana onderging een metamafose en nam verbeten het heft in eigen handen met alle gevolgen van dien.
Uit de geautoriseerde biografie van prins Charles blijkt hoe groot de problemen van Diana waren: een zwaar narcistische persoonlijkheid met neigingen tot zelf-destructie. Ook Diana's ghostwriter Andrew Morton heeft erkend dat Diana nooit een uitgebalanceerde persoonlijkheid is geweest.
Deze voorbeelden tonen aan dat persoonlijkheid en verleden belangrijker zijn dan een adellijke afkomst. Silvia van Zweden en Sonja van Noorwegen zijn beiden sterke, zelfbewuste vrouwen. Tegelijkertijd vinden ze het geen probleem om "dienstbaar" te zijn en te leven in een gouden kooi met de pers als eeuwige wacht. Als vrouw zijn ze de lieveling van de pers en het publiek, maar ze doen onmiddellijk een stap terug zodra hun echtgenoot in het vizier komt. Ook voor de Spaanse koningin Sofia, een geboren Griekse prinses, geldt dat zij zich primair als echtgenote en moeder opstelt, maar tegelijkertijd leidinggevende is in een aantal charitatieve instellingen en zo haar eigen maatschappelijke takenpakket heeft.
Aristocratie kan zelfs een nadeel zijn: teveel gericht op eigen kring en te weinig weet van hoe het er écht in de wereld aan toegaat. Diana's verhaal is vooral een verhaal van tragiek: de hand overspelen omdat zij haar eigen grenzen niet kende. Zij speelde een filmsterrenrol die eerder bij Amerikaanse pulpseries past dan bij de harde maatschappelijke realiteit.
Of Emily Bremers is afgewezen omdat zij burgermeisje is, is onbekend want alle betrokkenen zwijgen al langer dan twee jaar als het graf. Wij weten evenmin iets van haar persoonlijkheid af, maar wél van haar verleden. Roddelblad Weekend was degene die Emily twee jaar geleden presenteerde als "verloofde" en deze verklaring vorig jaar introk: Beatrix zou herhaaldelijk een verloving hebben geweigerd vanwege een familieschandaal. Al 20 jaar eerder publiceerde Vrij Nederland over een miljoenenfraude door ooms van Emily: gemeenschaps- en overheidsgelden kwamen via dubieuze stichtingen op privé-rekeningen terecht. Maar ook zonder deze fraude was Emily niet zo een "ongeschreven blad" als de buitenlandse koninginnen zijn geweest: de roddelbladen hebben aangetoond dat zij een actief liefdesleven had vóór Willem-Alexander. Bovendien hadden de "bladen" al gezorgd dat roddelminnend Nederland wist dat vader Bremers "de foutste schoonvader van Nederland" was: woont fiscaal in het buitenland en houdt er reactionaire ideeën ten aanzien van wapenbezit op na. Het is waarschijnlijker dat Emily slachtoffer is geweest van haar (familie)verleden en de roddelbladen, dan dat zij is afgewezen omdat zij "maar een burgermeisje" is.
Los van de persoon van Emily gaat Nederland verder met de discussie over de "profielschets" van onze toekomstige koningin-echtgenote. In deze discussie mag de kwestie "aristocratie" geen rol spelen want de moderne tijd stelt andere eisen aan koninginnen. De vraag behoort te zijn: bezit de aanstaande echtgenote de juiste persoonlijkheid en is haar verleden "schoon" genoeg om als koningin goed te kunnen functioneren? Een koningin moet immers algemeen acceptabel zijn om zich boven de "onderdanen" te kunnen "verheffen" en alle Nederlanders te representeren. Een koningin-echtgenote heeft daarbij een zwaardere taak dan een prinsgemaal omdat vrouwen meer aandacht trekken dan mannen en daarom ook "meer in huis" moeten hebben willen zij zichzelf en de monarchie populair maken en houden. Willem-Alexander heeft het probleem dat hij straks een vrouw opvolgt; de keuze van een goede koningin-echtgenote is daarom cruciaal. Voor de kroonprins zit er waarschijnlijk niets anders op dan een meisje te zoeken dat de tweede viool wil spelen maar toch een sterke, evenwichtige persoonlijkheid heeft, een verleden heeft waarop de roddelbladen niets op aan te merken hebben en ook nog eens algemeen acceptabel is.'
Toelichting - 2026
Dit opiniërende analyse-artikel is een eigen leven gaan. In januari 1995 werd Emily Bremers nadrukkelijk door roddelblad Weekend gepresenteerd als het meisje met wie de kroonprins op korte termijn ging trouwen. Een week later bevestigde de vader van Emily Bremers, Louis Bremers, het verhaal door Weekend te feliciteren met de primeur. Op gepubliceerde foto’s is te zien dat Louis Bremers en journalist Marc van der Linden gebogen staan over een exemplaar van Weekend waarmee het roddelblad een primeur had gehad.
Als gevolg van de stellige verklaring van de Weekend-journalisten en het fotomateriaal dat het blad een week later kon overleggen, gingen ook kwaliteitskranten zich met de kroonprinselijke liefde bemoeien. De Volkskrant had onder leiding van een nieuwe hoofdredacteur, Pieter Broertjes, net een koerswijziging ingezet. Voortaan waren ook vriendinnen van de kroonprins nieuwswaardig. Bovendien was een huwelijksaankondiging een stellige bewering. Voorheen was bij de roddelpers slechts sprake geweest van een “nieuwe vriendin”. Kort na de “ontdekking” van Emily Bremers kwam er bovendien hard nieuws. De kroonprins crashte op de Duitse autoweg met zijn auto. De auto was totall loss. Het bleek dat kroonprins Willem-Alexander niet alleen op weg was geweest naar een wintersportbestemming. Emily Bremers zat in de auto naast hem. Op dat moment gingen alle media zich met de kwestie bemoeien. De grote vraag was: was Emily uitsluitend de nieuwe vriendin van de kroonprins, of was het inderdaad zodanig serieus dat er voorbereidingen gemaakt werden voor een koninklijk huwelijk, compleet met de vereiste parlementaire goedkeuring voor dit huwelijk. Weekend-journalist Ben Holthuis, de “ontdekker” van Emily Bremers, werd door diverse media geïnterviewd. Voor dagblad Trouw (28 januari 1995) legde Rob Zoutberg aan Ben Holthuis diverse vragen voor en confronteerde hem met de “Code van Bordeau”, de journalistieke code waaraan journalisten zich sinds 1954 moeten houden. De eerste voorwaarde was eerbied voor de waarheid. Ben Holthuis had in Weekend geschreven: ‘Beatrix kan ieder moment de verloving aankondigen’. Holthuis antwoordde: ‘Ik had deze zin nooit als waarheid gelanceerd als mijn bron dat niet met zoveel stelligheid had beweerd. Mijn bron is danig geïnformeerd over het wel en wee van het koningshuis. Alles loopt, zoals mijn planning eruit zag. Dat was inclusief de verloving, waarvan ik denk dat hij ieder moment afgekondigd kan worden.’ Ben Holthuis beriep zich verder op het journalistieke verschoningsrecht. Hij kon niet zeggen wie zijn bron was. Maar, het was een betrouwbare bron. ‘In dit geval was geen twijfel meer mogelijk. Het was pertinent waar. Daar kan ik alleen maar iedereen van overtuigen op het moment dat ik de bron noem. Het is niet dat ik dat niet wil, maar de mevrouw wenst dat op dit moment niet.’
In 1995 volgde geen huwelijksaankondiging. Weekend bleef Emily Bremers volgen en wist diverse informatie over haar familie te achterhalen. Concurrent Story gokte echter op een huwelijk met de Zweedse kroonprinses Victoria met wie de kroonprins, getuige foto’s, het erg goed kon vinden. Panorama haalde onderzoeksjournalistiek uit de kast om eens beter te kijken naar Emily’s vader. De journalist Gerard Trentelman, gespecialiseerd in misdaadverhalen, sprak met tientallen personen. ‘Op hun verzoek zijn tientallen mensen die aan deze reportage meewerkten anoniem gebleven. Een enkeling die geen bezwaar had tegen naamsvermelding eveneens. De teksten van hen die zich op de valreep terugtrokken – en soms intimidatie niet uit de weg gingen – zijn in samenvattende vorm gebruikt.’ Het oordeel van Panorama was dat Louis Bremers “De foutste schoonvader van Nederland” was.
In 1996 had Weekend belangrijk nieuws: Emily Bremers was ongeschikt als toekomstig koningin omdat een familieschandaal haar achtervolgde. Een paar maanden konden zowel roddelbladen als kranten melden dat Louis Bremers als fiscaal vluchteling in België ging wonen.
Toch bleef Emily Bremers in beeld. Zo poseerde Emily Bremers kort na Weekend’s onthulling over de gedwarsboomde verloving uitgebreid voor een fotograaf van weekblad Privé. Er was brand in haar keuken geweest. Met haar arm in een mitella poseerde zij voor Privé. De fotograaf mocht ook op de foto vastleggen hoe zij samen met een stel vriendinnen op zeilreis ging.
Volgens Weekend ontmoette kroonprins Willem-Alexander zijn vriendin nog regelmatig. Er mocht volgens het blad alleen geen huwelijk komen omdat koningin Beatrix, gesteund door toenmalig minister-president Wim Kok, daarop tegen was. Alle ontmoetingen moesten daarom volgens Weekend in het geheim plaatsvinden. In 1997 volgden twee roddelbladen, Weekend en Story, dezelfde tip: kroonprins Willem-Alexander en Emily Bremers zouden samen dineren in een Haags restaurant. Collegiaal leenden de fotografen elkaars materialen. Zo kon Weekend “exclusieve” foto’s publiceren die gemaakt waren door Edwin Smulders, terwijl concurrent Story dezelfde foto’s publiceerde als zijnde gemaakt door Peter Scholten. De fotoshot onthulde dat het ene moment het stel gezellig zat te borrelen en het volgende moment ontdekte dat zij gefotografeerd werden. Kroonpins Willem-Alexander dook weg, terwijl Emily Bremers de gelegenheid nam om stralend in de camera te kijken. Vervolgens dook ook zij weg.
In januari 1998 bleek Emily Bremers echter wel welkom te zijn op een groots verjaardagsfeest dat koningin Beatrix gaf binnen het Paleis op de Dam. Fotografen legden vast hoe zij aan de arm van een onbekende man werd binnengeleid. Kort daarop was Emily Bremers ook aanwezig bij de huwelijksplechtigheid van prins Maurits met Marilène van den Broek. Alle media gingen zich vervolgens opmaken voor de officiële aankondiging door de Rijksvoorlichting van het koninklijke huwelijk. Dat was niet alleen in positieve zin. Weekblad HP De Tijd publiceerde in juli 1998 een weinig vleiend portret van de aankomende koningin. NRC Handelsblad hield het kruit droog, maar een onderzoeksjournalist had – op grond van bovenstaand artikel – reeds contact opgenomen met Irène Diependaal op zoek naar nadere informatie. NRC Handelsblad wilde klaar staan om op het moment van de verloving, en in aanloop tot de grondwettelijk voorgeschreven parlementaire toestemming voor het huwelijk, uitgebreid informatie te verstrekken over Emily Bremers en haar familie. Die verwachte verloving kwam echter niet. Story publiceerde in augustus 1998 plotseling foto’s waaruit bleek dat Emily genoot van haar vrijgezellenleven. Het nieuws werd niet opgepikt. De moeder van Marilène, die werd gezien als een vertrouwenspersoon van de koninklijke familie, sprak openlijk met de pers. “Het was uit” met Emily Bremers, zo kopte De Telegraaf groot op de voorpagina. NRC Handelsblad publiceerde alsnog, onder de kop “De verloving die niet doorging”, in beperkte mate de belastende informatie die de krant verzameld had. De rest ging in een enveloppe en kwam bij Irène Diependaal terecht.
Na de Telegraaf-scoop ging Ben Holthuis achter het object van zijn “ontdekking” in 1995 aan. Hij bleek Emily persoonlijk te kunnen spreken, op de stoep voor haar voorhuis. Charmant keek zij naar haar ontdekker en erkende dat de relatie inderdaad beëindigd was. Vervolgens maakte Weekend een uitgebreide reportage, compleet met fotomateriaal van Emily en Ben Holthuis samen, en gaf diverse scenario’s waarom de jarenlange relatie niet was uitgemond in een koninklijk huwelijk.
De Rijksvoorlichtingsdienst had een groot probleem. Waarom waren alle ontkenningen van de dienst en de kroonprins zelf, in interview met Paul Witteman, niet geloofd? Deze uitspraken vielen namelijk onder de ministeriële verantwoordelijkheid. In dit concrete geval die van Wim Kok, de toenmalig minister-president van PvdA-huize.
Irène Diependaal was in de eerste helft van 1998 op verzoek van het Tijdschrift voor Mediageschiedenis bezig met een mediahistorisch onderzoek naar de beeldvorming van het koninklijk huis in de familiebladen. Opvallend was dat na de troonswisseling van 1980 de koninklijke familie bijna niet meer voorkwam in de populaire pers, terwijl onder koningin Juliana dit ten overvloede het geval was geweest. Voor dit onderzoek werd reeds onderzoek gedaan bij de Rijksvoorlichtingsdienst: gesprekken met voormalige en actuele (eind)verantwoordelijken en onderzoek in de bibliotheek en het documentatiecentrum van de Rijksvoorlichting. Met speciale toestemming op directieniveau mocht bij wijze van uitzondering ook in de ondergrondse depots van de KB, de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag, op legger onderzoek worden gedaan. Onderzoek in het Koninklijk Huisarchief was onmogelijk omdat het huisarchief zich wegens ingrijpende renovatie elders bevond en de archieven, waaronder het tijdschriftenarchief, daarom niet beschikbaar waren voor wetenschappelijk onderzoekers.
De tekst voor dit wetenschappelijke artikel was gesloten in de zomer van 1998, maar de conclusies waren al bekend bij de Rijksvoorlichtingsdienst. Emily Bremers was onder meer aanleiding geweest voor de roddelbladen om over te publiceren omdat leden van de koninklijke familie niet of nauwelijks medewerking gaven aan wat voorheen normaal was: regelmatig familiefoto’s vrijgeven ter publicatie. Zelfs Mirjam Spiering, de oprichtster en hoofdredactrice van het koningsgezinde maandblad Vorsten, had zware kritiek op het RVD-beleid. De Rijksvoorlichtingsdienst zette dit onmiddellijk recht. Fred van Leeuwen, hoofd van de afdeling die de voorlichting rond het Koninklijk Huis regelde, kwam regelmatig in de RVD-bibliotheek even langs om te horen of Irène Diependaal onderzoeksresultaten had verkregen waarmee hij iets kon. Nog in 1998 verschenen foto’s waarvoor het koninklijk gezin – inmiddels bestaande uit volwassen zonen – geposeerd had. De Rijksvoorlichtingsdienst had daarvoor, blijkens de mededeling van Vorsten, een nieuwe hoffotograaf in de arm genomen.
De uitkomsten van het onderzoek werden in december 1998 gepubliceerd in het Tijdschrift voor Mediageschiedenis (TMG). In december 1998 leefde publiekelijk echter nog maar één vraag: waarom was Emily Bremers de koningin in de roddelbladen geweest, maar niet de bruid die door kroonprins Willem-Alexander naar het altaar was geleid?
Ook de Rijksvoorlichtingsdienst wilde daarom graag nader onderzoek. De gang van zaken had geleid tot vragen in de Tweede Kamer. Bovendien was inmiddels ook prinses Diana, met wie Emily Bremers vaak werd vergeleken in de roddelpers, op gruwelijke wijze om het leven gekomen. Suggestief kopte weekblad Weekend in 1998, na Emily Bremers zelf te hebben gesproken en geïnterviewd, dat in het blad "Haar eigen verhaal" was te lezen. Dit was de titel van het boek van Andrew Morton waaraan prinses Diana, via een omweg persoonlijk, aan had meegewerkt tijdens haar huwelijksproblemen. Het boek en een televisie-interview vormden de opmaat naar een echtscheidingsprocedure en uiteindelijk tot haar dood - de dood in gedreven door buitenlandse paparazzi die haar en haar nieuwe minnaar achtervolgden. Het Britse koninklijk huis had vervolgens een groot probleem. In Groot-Brittannië ging in 1997 na de dood van Diana, prinses van Wales, het roer om. Koningshuis en de nieuwe Prime Minister Tony Blair gingen dingen anders doen. Het streven van Irène Diependaal naar een Brits-Nederlandse vergelijking was daarom ook voor de Rijksvoorlichtingsdienst relevant. De “Kwestie-Emily” – met als centrale vraag “vriendin of aankomende bruid” – had diepe sporen getrokken in de relatie pers en koningshuis zoals vertegenwoordigd in het publieke domein door de Rijksvoorlichtingsdienst. Eef Brouwers, de hoofddirecteur van de Rijksvoorlichtingsdienst, had als gast tijdens een bijeenkomst van het Genootschap van hoofdredacteuren de verzamelde hoofdredacteuren duidelijk aangegeven dat hij aan de agenda van koningin Beatrix kon zien dat een spoedige huwelijksaankondiging niet kon plaatsvinden. Hij werd echter weggehoond. Bovendien vielen dit soort waarschuwingen onder de ministeriële verantwoordelijkheid. Wim Kok was inmiddels door het parlement op het matje geroepen over de wijze waarop de “Kwestie-Emily” beëindigd was: een Nederlandse burger die op straat voor eigen woonhuis een roddelbladjournalist moest vertellen dat het inderdaad “uit” was en een eigen verhaal had gedaan. De vraag was nog maar of dat verhaal conform de waarheid was.
Dingen moesten anders maar daar was politiek mandaat voor nodig. De Rijksvoorlichtingsdienst wilde daarom eerst graag onderzoek verricht hebben waar de dienst zelf geen capaciteit voor had en ook niet zou krijgen zolang er geen onafhankelijk onderzoek zou plaatsvinden waarvan resultaten overlegd konden worden aan politiek verantwoordelijken. Voor dergelijk diepte-onderzoek waren op korte termijn professionele capaciteiten noodzakelijk die de Rijksvoorlichtingsdienst op dat moment niet in huis had als gevolg van de dilemma’s waarop gestuit was tijdens het TMG-onderzoek. Om aansluiting te krijgen bij buitenlands beleid, daar was op de langere termijn internationaal diepte- en breedteonderzoek voor noodzakelijk. Dat betekende concreet dat de onderzoeker over diploma’s moest beschikken die internationaal erkend worden. Dat was in de praktijk een behaald doctoraatsexamen. Irène Diependaal had op dat moment geen academische doctor titel, maar kon wel op korte termijn binnen Nederland het onderzoek doen dat voor Eef Brouwers was noodzakelijk om een beleidsverandering op de langere termijn politiek aanvaardbaar te krijgen. De Rijksvoorlichting werkte daarom, conform de afspraken zoals gemaakt door hoofddirecteur Eef Brouwers en Irène Diependaal, mee aan een gefaseerd plan. Eef Brouwers wees zelf de persoon van een beoogde promotor aan voor de tweede fase als zijnde acceptabel voor het institutionele netwerk rond koningin Beatrix.
Op korte termijn was de afspraak met Eef Brouwers dat het diepte-onderzoek naar de “Kwestie-Emily” zelfstandig en voor eigen kosten zou plaatsen, zoals ook het onderzoek voor het artikel voor Tijdschrift van Mediageschiedenis geen opdracht van de Rijksvoorlichtingsdienst was geweest. Het onderzoek kwam logischerwijs uit het TMG-onderzoek voort en de Rijksvoorlichtingsdienst had al veel bruikbaar tips gaandeweg dit onderzoek verkregen. Aanvullend onderzoek naar alle gepubliceerde mediaproducties rond de persoon van Emily Bremers was daarvoor noodzakelijk. Opnieuw werd een aanvraag gedaan om op legger in de ondergrondse depots van de KB onderzoek te doen. De Rijksvoorlichtingsdienst stelde bovendien voor eigen intern gebruik en ter overlegging aan koningin Beatrix en haar zelfstandig opererende hofhouding knipselkranten samen met alle artikelen over het koninklijk huis. Hierin mocht Irène Diependaal ter plaatse van de Rijksvoorlichtingsdienst systematisch onderzoek doen en fotokopieën uit maken. Alle gevonden publicaties werden door Irène Diependaal in Wordperfect-documenten geplaatst om vervolgens te kunnen analyseren. Tussentijdse vorderingen werden besproken in achtergrondgesprekken met Eef Brouwers. Brouwers gaf nadere achtergrondinformatie en was bereid audiovisueel materiaal elders op te vragen indien dit noodzakelijk was voor het onderzoek. De voormalig hoofddirecteur, Hans van der Voet, en zijn plaatsvervanger, Fred Lörtzer, boden opnieuw hun diensten aan als klankboord. De grote vraag was: wat had de dienst gemist? Waren er fouten gemaakt die gemakkelijk voor de toekomst vermeden konden worden? Het bleek echter dat hoofdrolspelers aan de mediazijde niet wilden meewerken. Hummie van den Tonnekreek, ontslagen als hoofdredacteur van Weekend na een arbeidsconflict, had meegewerkt aan het TMG-onderzoek. Zij wilde niet meewerken aan nader onderzoek waarin haar eigen functioneren inzake de “Kwestie-Emily” ten sprake kwam. Dit gold ook voor Pieter Broertjes, hoofdredacteur van de Volkskrant. Dit was de krant die – in wetenschappelijke termen – als leader of the pack opgetreden. Broertjes was bovendien de voorzitter van het Nederlandse Gezelschap van Hoofdredacteuren. Volgens Eef Brouwens was Broertjes – tijdens de bijeenkomst van de Gezelschap van Hoofdredacteuren - een van de personen geweest die zijn integriteit in twijfel had getrokken. Broertjes weigerde in de richting van Irène Diependaal echter de journalistieke en wetenschappelijke vereiste hoor- en wederhoorprocedure.
Een relatief onschuldig artikel op de opiniepagina van NRC Handelsblad was bovendien veelvuldig slecht geïnterpreteerd. In de herinnering van velen was alleen blijven hangen dat Irène Diependaal had kunnen kijken achter deuren die voor anderen gesloten waren, terwijl in werkelijkheid alleen maar herhaald was wat in Weekend had gestaan. In het bovenstaand artikel stond alleen maar dat het roddelblad een bewering had gedaan en deze later had ingetrokken nadat het blad een familieschandaal op het spoor was gekomen. Verder ging het artikel over het gebrek aan maatschappelijk draagvlak voor een huwelijk met Emily Bremers. Het was in de eerste plaats een analytisch artikel gericht op een dooddoener welke rondspookte in de Nederlandse media, zowel roddelbladen als kwaliteitsmedia: een geschikte koningin moest een prinses zijn, of in ieder geval van adel zijn. Het artikel ging over de profielschets waaraan een toekomstig koningin-echtgenote moest voldoen, niet over de vraag of Emily Bremers daar wel of niet aan voldeed.
De “bron” van Weekend, de mevrouw die in 1995 de primeur had bezorgd van het op handen zijnde huwelijk van kroonprins Willem-Alexander met Emily Bremers, had het spoor uitgezet in de richting van de Nollen-affaire. Dit was een schandaal waar onderzoeksjournalist Rudie van Meurs voor Vrij Nederland veel eerder uitgebreid onderzoek naar had gedaan. Irène Diependaal had het artikel in Weekend in 1997 goed gelezen en het boek van Rudie van Meurs (met verzamelde artikelen uit Vrij Nederland) opgespoord. In bovenstaand artikel op de opiniepagina van NRC Handelsblad stond alleen maar wat in Weekend had gestaan. De mededeling was dat Weekend beweerde dat ooms van Emily Bremers zich frauduleus hadden verrijkt met gemeenschaps- en overheidsgelden. HP De Tijd nam dit nieuws over in 1998 (3 juli 1998), maar had het over broers van Louis Bremers.
Kort na uitkomen van dit nummer van HP De Tijd nam de documentatieafdeling van NRC Handelsblad contact op met Irène Diependaal, gevolgd door de auteur van het bewuste artikel in HP De Tijd, de freelance journalist Peter Middendorp. Het bleek dat Middendorp zich had gebaseerd op een artikel in NRC Handelsblad dat onder het redactiestatuut van de krant viel. Dat artikel was echter gebaseerd op het opinie-artikel van Irène Diependaal: ook NRC Handelsblad, maar omdat het op de opiniepagina had gestaan was dat buiten de redactionele eindverantwoordelijkheid van NRC Handelsblad gevallen. Peter Middendorp had het snel door: “ooms van Emily” is wat anders dan “broers van Louis Bremers”. Hoe dan ook de mededeling van HP De Tijd was feitelijk onjuist. Het tijdschrift moest daardoor gaan rectificeren (HP De Tijd, 31 juli 1998). Daarna volgden in HP De Tijd een aantal ingezonden brieven, waaronder van Louis Bremers, de vader van Emily Bremers (10 juli 1998, 17 juli 1998, 14 augustus 1998).
Peter Middendorp is zelf uitgebreid publicitair op de kwestie terug gekomen in een groot artikel in de Volkskrant, 5 juli 2014 ("Bright lights, Big City"). Hij kreeg in 1998 de "gele kaart" van de toenmalige hoofdredacteur van HP/De Tijd. In een artikel over het verloop van zijn schrijversambities reconstrueerde hij hoe moeizaam het was om zich na deze misser te handhaven als schrijver binnen de Amsterdamse grachtengordel. 'Ik had nog niets geschreven dat iemand wilde publiceren. Ik had een vriendin die mij niet voor vol aanzag. Van de hoofdredacteur had ik die ochtend een gele kaart gekregen. In een verhaal over Emily, de aanstaande van de kroonprins, had ik geschreven: "Geen wonder dat haar vader van fraude wordt verdacht, al zijn broers zijn er al voor veroordeeld." In De Telegraaf had de vader geriposteerd: "Ik heb geen broers". Maar het ergste was: mijn dealer was dood.' Zijn droomcarrière van studeren in Groningen, een schrijverscarrière opbouwen in Amsterdam en zich daarna vestigen in New York: het leek aan scherven te liggen. Ook zijn uitgever van een nog uit te geven roman voelde hem aan de tand op een feest waar hij als eerste gast arriveerde. '"Wat hoor ik", zei hij toen ik de hal instapte en naar een glas champagne op een dienblad greep. "Heb je de gele kaart gehad? Heeft de vader van Emily geen broers?" "Het waren zwagers, geen broers", zei ik, terwijl ik hem voorbij liep. "De ooms van Emily. Daar heb ik broers van gemaakt, dat is alles. Kleinigheidje."' In het schrijverscafé voelde Middendorp zich niet meer welkom. 'Zoals in vroeger tijden op vreemdelingen werd gereageerd in een saloon, zo reageerden de schrijvers op mij toen ik de volgende dag het schrijverscafé betrad. Alle gesprekken vielen stil. Iedereen keek naar mij. Drie mannen stapten van hun krukken en gingen voor me staan, de armen over elkaar. Ik was gezien. Iedereen kende mij. Mijn aanwezigheid was voortaan overbodig.' (interview in de Volkskrant, Magazine, 30 augustus 2014) Peter Middendorp is tegenwoordig columnist bij de Volkskrant en is - alsnog - romanschrijver geworden.
Bovenstaand opinie-artikel ging ook eigen leven nadat Emily Bremers in de anonimiteit verdween. Volgens planning zou het boek van Irène Diependaal, met een deel van haar onderzoeksresultaten, verschijnen in het najaar van 2000. Op aanraden van wetenschappelijke mediadeskundigen was het een ludiek geschreven boek met cliff-hangers. De roddelbladen hadden van de “Kwestie-Emily” een feuilleton gemaakt volgens de wetmatigheden van een soap opera. Deze soap opera-stijl werd gevolgd in een gelaagd boek met zwaar aangezette ironie - de sfeer waarin de Volkskrant verslag had gedaan van de materie binnen de rubriek “Dag in, dag uit”. Echter, in augustus 2000 verscheen Emily’s opvolgster reeds aan de horizon: Máxima Zorreguieta. Het journalistiek frame was dankzij Emily Bremers inmiddels gericht op de vraag “is de vader fout?” Zo ja, “hoe fout”? Inzake Máxima’s vader was het antwoord “ja”, maar vader Zorreguieta was op een geheel andere wijze fout geweest dan Louis Bremers. Aan een bestaand boek kon nog slechts een extra hoofdstuk worden toegevoegd. Het boek werd vervroegd uitgebracht terwijl het in augustus 1999 nog niet eens geheel geschreven was, laat staan eindredactioneel persklaar was gemaakt.
De pers was voortijdig op het spoor van Máxima Zorreguieta gekomen. Het gehele journalistieke traject begon opnieuw. Wat bij Emily Bremers ruim drie jaar in beslag had genomen, werd in 1999 binnen een enkele weken afgewerkt: Máxima Zorreguieta was geen onbeschreven blad en haar vader had als minister gediend in een Argentijns dictatoriaal bewind. Het grote verschil was dat de grote kranten dit maal het voortouw namen om de identiteit van de nieuwe vriendin van de kroonprins te traceren, nadat foto’s in roddelbladen hadden aangetoond dat de kroonprins met een blondine in een intieme pose op publiek water was aangetroffen.
Het boek is uiteindelijk voortijdig uit de handel genomen en vernietigd. Máxima Zorreguieta was duidelijk de winning horse en zij voldeed persoonlijk aan de criteria zoals gesteld in bovenstaand opinie-artikel. Bovendien hadden roerden in 1999, bij uitkomen van het boek, leden van de familie Bremers zich. Er kwamen – via de uitgever en media die hadden meegewerkt aan het geven van publiciteit – bedreigingen aan het adres van Irène Diependaal.
Kort voordat het boek vervroegd en niet-persklaar was uitgekomen was er al een nieuw journalistiek slachtoffer gevallen. De Telegraaf ontsloeg zijn koningshuisdeskundige omdat de krant een foto had gepubliceerd van de krant van kroonprins Willem-Alexander met een vrouw die geacht werd Máxima Zorreguieta te zijn. Het was echter een andere vrouw. De carrière van deze journalist, Rob Knijff, was definitief geruïneerd in Nederland. Opnieuw belandde een enveloppe met stukken bij Irène Diependaal.
Het boek Emily! De verloving die niet doorging was slecht uitgegeven door een kleine wetenschappelijke uitgeverij, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Het schoot echter primair zijn doel voorbij omdat na het ontslag van Rob Knijff de Nederlandse kranten besloten tot een radiostilte totdat er aanleiding kwam om op serieuze wijze aandacht te gaan besteden aan Máxima Zorreguieta. Die aanleiding kwam pas nadat het boek was verschenen. Eef Brouwers, inmiddels geleerd van alle ervaringen en de onderzoeksresultaten van Irène Diependaal (die slechts gedeeltelijk waren gepubliceerd), nam op een kritiek moment een initiatief. Hij vertelde journalisten dat Máxima in Brussel ging wonen en werken om dichterbij de kroonprins te zijn, maar dat dit niet betekende dat er ook sprake was van een huwelijksvoornemen. De bedoeling was juist dat beiden elkaar beter zouden leren kennen. Eef Brouwers vroeg daarvoor om ruimte. Een dag later opende dagblad Trouw plotseling de aanval. Onderzoeksjournalistiek, waaraan lange tijd was gewerkt, had aangetoond dat Jorge Zorreguieta, Máxima’s vader, “fouter” was dan voorheen was aangenomen. De Kwestie-Máxima (“vriendin of verloofde?”) transformeerde daarmee binnen het journalistieke frame in de “Kwestie-Zorrequieta” (“hoe fout was de vader”?).
Bovendien was het boek gericht op intellectuelen, terwijl de Nederlandse media op dat moment behoefte hadden aan een boek met een duidelijke conclusie. Zoals sommige royalty-journalisten later toegaven aan Irène Diependaal: zij lazen alleen het laatste hoofdstuk van een boek. Emily! De koninklijke verloving die niet doorging was echter voor een geheel ander publiek geschreven en verscheen ook maar in beperkte oplage (1000 exemplaren) bij een wetenschappelijke uitgever, de uitgever van Tijdschrift voor Mediageschiedenis. Het postmodernistisch geschreven boek Emily! De koninklijke verloving die niet doorging was slechts bedoeld om geïnteresseerden de kans te geven om op basis van citaten uit de roddelbladen en de belangrijkste interviews met hun makers in de kwaliteitsmedia, reproductie van beeldmateriaal en contrasterende mededelingen in de (roddel)pers zelf nadere conclusies te trekken.
Veel journalisten namen de titel Emily! De koninklijke verloving die niet doorging letterlijk, terwijl het juiste een symbolische waarde had. Emily! – nadrukkelijk met uitroepteken – was de leus die jarenlang rondwaarde op de redactie van de Volkskrant: met een zekere weerzin hielden redacteuren zich ook bezig met het fenomeen "kroonprinselijke vriendin" nadat Pieter Broertjes hoofdredacteur was geworden. Bovendien was de geruchtenstroom zodanig sterk dat er een mogelijkheid was dat de Rijksvoorlichtingsdienst vrij onverwachts een mededeling tot huwelijksaankondiging zou doen. De schaduw van historische gebeurtenissen, met name de tumultueuze wijze waarop de – controversiële – verlovingen van de toenmalige prinsessen Irene en Beatrix in de jaren 1960 tot stand kwamen, hing in de lucht. "De koninklijke verloving die niet doorging" was de kop van een artikel in NRC Handelsblad in 1998 nadat Emily Bremers op de stoep voor haar Haagse woning een persconferentie gaf: "Het was uit" met de kroonprins. NRC Handelsblad publiceerde dit nieuws op pagina 3 van de krant. Het was een artikel waar Irène Diependaal persoonlijk niets mee te maken had, maar indirect wel aan had medegewerkt door informatie te verstrekken aan de onderzoeksjournalist die met het onderwerp belast was. Er was jarenlang door NRC Handelsblad onderzoeksjournalistiek voorwerk verricht ter voorbereiding op een mogelijke huwelijksaankondiging.
Uit het Emily!-onderzoek, waarvan alleen de onderzoeksresultaten op het terrein van mediageschiedenis en communicatiewetenschappen zijn gepubliceerd, kwam naar voren dat een aantal Nederlandse media niet zonder gegronde reden in negatieve zin klaar stonden voor een huwelijksaankondiging. In het boek zelf is slechts herhaald wat reeds gepubliceerd was, compleet met bronvermelding. De rest is ongepubliceerd gebleven, door de media in kwestie in 1998 en door Irène Diependaal in 1999. De belangrijkste reden is dat Emily Bremers een Nederlands staatsburger was (en is).
De tweede laag van het boek, de werking van het journalistieke frame is uitgewerkt in een wetenschappelijk artikel: het creëren van mediahypes rondom pseudo-gebeurtenissen. Het artikel “Koninklijke Mediathon” is gepubliceerd in de wetenschappelijke bundel Journalistieke Cultuur (Amsterdam University Press, 2002). De succesvolle bundel werd een veel gebruikt boek bij journalistieke opleidingen en is twee maal herdrukt. In 2015 is het boek vervangen door een geheel andere bundel met dezelfde titel. De bundel uit 2002 is volgens Villamedia, het vakblad voor journalisten, een standaardwerk geworden voor journalisten-in-opleiding (Alexander Pleijter, Villamedia, mei 2015). Met oog op de veranderingen in zowel het journalistieke ambacht als de opleidingen voor journalisten is voor de 2015-editie gekozen voor een volledig nieuwe opzet met merendeels nieuwe auteurs. 'Het boek beoogt aldus bruikbaar te zijn voor het onderwijs op universiteiten en hogescholen, zoals dat ook in de afgelopen tien jaar al ruimschoots het geval gebleken is. Tevens is deze bundel een uitgangspunt voor verder onderzoek en reflectie voor eenieder die zich door beroep of belangstelling betrokken voelt bij de journalistiek.' (Voorwoord Jo Bardoel en Huub Wijfjes, Journalistieke Cultuur in Nederland, Amsterdam University Press 2015). Persoonlijk behoort Irène Diependaal sinds 2002, de publicatie van de eerste editie van Journalistieke cultuur in Nederland, alleen nog maar tot de tweede doelgroep. De publieke discussie over "fake-news" hangt nauw samen met waarheidsgetrouwe geschiedschrijving. In essentie gingen de mediahistorische studies, zoals gepubliceerd in Emily! De koninklijke verloving die niet doorging, en "Koninklijke mediathon" (Journalistieke cultuur in Nederland) over dit dilemma: de (on)mogelijkheid tot verificatie door journalisten en op de lange termijn door historici die kranten en tijdschriften als "secundaire bron" willen gebruiken. Deze publicaties zijn verouderd, maar de reden voor onderzoek is meer dan ooit actueel en urgent omdat het de basis betreft waar op een democratische rechtsstaat kan functioneren.
Irène Diependaal keerde na het wetenschappelijke artikel "De koninklijke mediathon" terug naar datgene waar zij reeds voor 1998 mee bezig was. De Rijksvoorlichtingsdienst heeft, op het niveau van de hoofddirecteur (Eef Brouwers), in 1998 en 1999 voortijdig mediahistorische onderzoeksresultaten gekregen die ongepubliceerd zouden blijven. Het beleid van de Rijksvoorlichtingsdienst is door Eef Brouwers mede gewijzigd op grond van deels ongepubliceerde onderzoeksresultaten. Zo werd er op 5 september 1999 een fotosessie gepland met geselecteerde fotografen omdat uit Irène Diependaal's onderzoek was gebleken dat daar behoefte aan bestond: niet alleen een enkele hoffotograaf exclusief foto's laten maken en het copyright daarvan afkopen, maar ook de media de gelegenheid geven om zelf foto's te laten maken. De timing viel alleen verkeerd omdat de roddelbladen foto's hadden opgekocht van de nieuwe vriendin. Het journalistieke frame vertaalde dit - analoog aan de Emily!-kwestie en de historische gebeurtenissen rond de bekendmakingen van de verloving van prinses Irene met prins Carlos Hugo de Bourbon Parma en vervolgens die van kroonprinses Beatrix en Claus von Amsberg - dat er een huwelijksaankondiging bekend zou worden gemaakt. De fotosessie was al veel eerder gepland, maar vond in de praktijk plaats na een dolle week waarin de Volkskrant en De Telegraaf samen het voortouw hadden genomen om de identiteit van de dame vast te stellen die in publieke wateren was gefotografeerd en bovendien kroonprins Willem-Alexander had vergezeld bij een huwelijksfeest. Beleidswijzigingen gebeurden vaak dus al voor een publicatie uit en betroffen vaak niet te publiceren onderzoeksresultaten. De verantwoordelijke functionarissen van de Rijksvoorlichtingsdienst kregen op vertrouwelijke basis deze informatie ter inzage of medegedeeld. Veel onderzoeksresultaten zijn ook in later stadium niet gepubliceerd en evenmin ter inzage gegeven aan de Rijksvoorlichtingsdienst. Aangezien alle onderzoek zonder enige vorm van contractvorming met de Rijksvoorlichtingsdienst of het Koninklijk Huis was verricht: er is nooit sprake geweest van het tekenen van geheimhoudingsclausules. Alle ongepubliceerde onderzoeksgegevens berusten in eigen archief en niet in die van de Rijksvoorlichtingsdienst of het Koninklijk Huis. Irène Diependaal gaf de niet te publiceren onderzoeksresultaten in mondelinge vorm als bijdrage aan het publieke belang. Deels was het ook onderdeel van afspraken zoals gemaakt met Eef Brouwers over toekomstig te verrichten onderzoek.
En Máxima en haar vader? Minister-president Wim Kok greep terug in 2001 terug op een historisch precedent. Lou de Jong, de toenmalige directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, deed in 1966 antecedentenonderzoek naar de beoogde huwelijkskandidaat van kroonprinses Beatrix. Vervolgens kwam groen licht voor een huwelijk met Claus von Amsberg, een Duits staatsburger. In 2001 werd het huwelijksvoornemen van kroonprins Willem-Alexander en Máxima Zorreguieta bekend gemaakt, maar Wim Kok weigerde de aanwezigheid van Jorge Zorreguieta bij de huwelijkssluiting. Hij deed dit met verwijzing naar een rapport dat in zijn opdracht was opgesteld door prof.dr. Michiel Baud: Militair geweld, burgerlijke verantwoordelijkheid. Argentijnse en Nederlandse perspectieven op het militaire bewind in Argentinië (1976-1983). Onderzoeksjournalistiek in opdracht voor BNN/VARA, een meerdelige documentaire met de titel “het porseleinen huwelijk”, heeft in 2022 aangetoond dat er juridisch veel meer speelde dan het reageren op de publieke opinie door politiek verantwoordelijken.
Ruim 25 jaar later blijkt dat in april 1997 de koppenmaker van NRC Handelsblad datgene uit de tekst had gehaald wat historisch zou worden: Máxima Zorreguieta bleek het sterke meisje te zijn dat de Nederlandse monarchie goed kon gebruiken.
Inmiddels is ook een herhaling van de geschiedenis zichtbaar nu de dochters van – inmiddels koning – Willem-Alexander op de leeftijd komen dat zij vriendjes gaan krijgen. Vriendjes die mogelijk een huwelijkspartner worden.